Vandaag stond Sigiriya Rock op het programma. Ik had al van 's ochtends wankele beentjes en hoewel ik mij had voorgenomen tot het uiterste te gaan, moet ik u meedelen dat we de top niet gehaald hebben. Halfweg was al meer dan hoog genoeg, voor mij althans. Carl -die het wel aandurfde- bleef als een ware gentleman bij mij. Samen uit, samen thuis.
Sigiriya Rock was maar een tiental kilometers rijden -peanuts dus- en net zoals naar Anuradhapura zijn vlijtige Srilankanen een nieuwe weg aan het aanleggen. De signalisatie was wel niet optimaal want we kwamen op een parking voor locals terecht. Geen nood - we voelen ons al een beetje locals - en dus parkeerden we onze bolide tussen de schoolbussen, die af- en aanreden met kinderen die op schoolreis waren naar Sigiriya Rock. Bekijks hadden we alleszins en de extra kilometers te voet namen we er graag bij.
De rots zelf is onnoemlijk hoog als je er voor staat. De eerste meters stijg je via stenen trappen. Het wordt pas tricky voor de hoogtevreesgevoelige mens als de ijzeren gevaartes aanbreken: IJzeren staven in de rots met daarop trappen of loopbruggen en daaronder de diepte. Vermoedelijk gaan dagelijks honderenden mensen die trappen op en af, maar ik ga er vanuit dat er wel altijd iemand is die de malchance heeft om net op een zo'n staaf te staan als die afkrakt. Metaalmoeheid en zo. Ok, het is werelderfgoed maar ik kan mij niet voorstellen dat er dagelijks controleurs op staan te springen om de degelijkheid te testen. De avonturier in mij heeft ook zijn grenzen.
Mijn grootste uitdaging was de spiraaltrap om de schilderijen van de wolkenmeisjes te zien want daar moest ik toch tenminste geraken. Trillende benen, klamme handjes en zelfs in een lichte staat van paniek. Ik moest terug naar beneden. Ooit.
Van de wolkenmeisjes heb ik dus niet echt kunnen genieten. Gelukkig heeft Carl foto's getrokken.
Murphy komt nooit alleen langs dus deed het toeval zich voor dat het een uitzonderlijk winderige dag was. In mijn verbeelding zag ik mij zelfs al de trappen afwaaien. Rampscenario's genoeg. Hoe de mensen er vroeger ooit opgeraakt zijn (zonder trappen en staven en leuningen): geen idee!
De grote leeuwenpoten aan de ingang? Spijtig genoeg niet gezien. Die waren nog een stukje hoger, en hoewel de trap in steen was, wilden mijn benen niet echt mee. Naar boven gaan is meestal niets (Verstand op nul en alles geven) maar de afdalingen zijn dikwijls een ware kwelling. Gelukkig is Carl meestal de kalmte zelve die in situaties als deze het hoofd koel houdt en tevens zeer goed kan omgaan met de verbaasde blikken van andere bezoekers. Het belangrijkste: We zijn veilig boven en beneden geraakt.
Misschien maar best dat we niet hoger gegaan zijn. Ongeveer de volledige afdaling heb ik zittend gedaan, op mijn gat, trapje per trapje. En dan heb ik mijn poot nog omgeslagen toen ik bijna beneden was.
Ik zeg altijd: Ken uzelf. Lichtjes onhandige mensen moeten geen al te zotte toeren uithalen en -zelfs vanop de hoogte waar we geraakt zijn- was het uitzicht hallucinant mooi.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten